“Waarom mogen zij dat wel bouwen – maar ik niet?”
Bij het voeren van juridische procedures over een omgevingsvergunning, bijvoorbeeld voor het bouwen van een aanbouw of een dakkapel, kan het soms handig zijn om een beroep op het gelijkheidsbeginsel te doen. Dit speelt vooral, indien de omgevingsvergunning al is aangevraagd en deze is geweigerd. Het kan in zo’n geval erg onrechtvaardig voelen als iemand bij u in de buurt een zelfde soort bouwplan wél heeft mogen realiseren. In dergelijke gevallen kan het gelijkheidsbeginsel soms uitkomst bieden.
Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat enerzijds gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld, en anderzijds ongelijke gevallen moeten worden behandeld naar de mate waarin zij verschillen. Wanneer u in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, is het aan het bestuursorgaan om te beoordelen of de aangevoerde gevallen daadwerkelijk vergelijkbaar zijn met het aangevraagde geval.[1]
Het bestuursorgaan moet hierover consistent en doordacht beleid voeren, en zal dus een algemene gedragslijn moeten hanteren. Dit betekent dat ook indien het bestuursorgaan van mening is dat de aangevoerde gevallen onvoldoende vergelijkbaar zijn, het bestuursorgaan inzichtelijk zal moeten maken in welk opzicht die gevallen afwijken van het onderhavige geval.[2] Het bestuursorgaan zal dan ook goed moeten motiveren waarom voor het ene geval wel een omgevingsvergunning wordt verleend en voor het andere niet.[3]
Bij de beantwoording van de vraag of het gaat om vergelijkbare gevallen is het niet alleen relevant dat die gevallen feitelijk op het aangevraagde bouwplan lijken, maar ook of op het aangevraagde bouwplan hetzelfde wettelijke kader van toepassing is als op die andere gevallen. Als op het adres van het geval waarmee wordt vergeleken bijvoorbeeld een ander bestemmingsplan geldt, dan wordt in de rechtspraak vaak aangenomen dat er enkel om die reden al geen sprake kan zijn van vergelijkbare gevallen.[4]
Dit hoeft echter niet te betekenen dat in dergelijke gevallen een beroep op het gelijkheidsbeginsel nooit kan slagen. Immers kan het bijvoorbeeld ook zo zijn dat er over een bepaald onderwerp (zoals dakkapellen) beleidsregels zijn opgesteld die voor de gehele gemeente gelden, waardoor op dat specifieke onderwerp toch grotendeels hetzelfde wettelijke kader van toepassing is.[5] Wel is hierbij van belang dat er geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan worden gedaan, als er wordt vergeleken met gevallen die zijn gerealiseerd vóórdat dat beleid werd vastgesteld.[6]
Een uitzondering op het bovenstaande vormt het geval waarin het bestuursorgaan de omgevingsvergunning voor het vergelijkbare geval heeft verleend, terwijl die vergunning op basis van de geldende wet- en regelgeving en beleidsregels eigenlijk had moeten worden geweigerd. Uit de jurisprudentie volgt dat in een dergelijk geval een beroep op het gelijkheidsbeginsel alsnog niet kan slagen, ook niet als er wel degelijk sprake is van een vergelijkbaar geval.[7]
Het gevaar bestaat dat het bestuursorgaan uw aanvraag om de omgevingsvergunning afwijst, omdat er volgens dat bestuursorgaan een risico op ongewenste precedentwerking zou ontstaan als het de aangevraagde omgevingsvergunning zou verlenen. Een dergelijk beroep op precedentwerking houdt regelmatig stand bij de rechter.[8] Het bestuursorgaan dient, wanneer het zich beroept op ongewenste precedentwerking, echter wel te onderbouwen waarom zijn belang bij het voorkomen van precedentwerking zwaarder zou moeten wegen dan uw belang bij het honoreren van de aanvraag. Het bestuursorgaan moet kortom een belangenafweging maken tussen het algemene belang en het individuele belang. Hierin weegt mee of er in het individuele belang sprake is van bijzondere omstandigheden die om afwijking van het beleid vragen, zoals bijvoorbeeld grote financiële belangen bij de aanvrager.[9]
Een beroep van het bestuursorgaan op precedentwerking heeft echter weinig kans van slagen als er reeds vergelijkbare gevallen aanwezig zijn. In dat geval wordt er immers geen precedent geschapen. Het is daarom van belang om zo goed mogelijk te onderbouwen waarom er sprake is van vergelijkbare gevallen. Het is daarbij ook raadzaam om een lijst met adressen en foto’s te overleggen. De simpele stelling dat er in uw buurt vergelijkbare gevallen aanwezig zijn, wordt over het algemeen als onvoldoende gezien om een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen.
Heeft u hulp nodig bij het aanvragen van een omgevingsvergunning? Of juist bij het aanvechten van een afgewezen aanvraag? Onze advocaten ruimtelijk bestuursrecht en milieurecht helpen u graag verder.
Deze blog is informatief van aard en er kunnen geen rechten aan worden ontleend.
Wilt u meer weten over dit onderwerp? We helpen u graag
[1] ABRvS 17 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI1851.
[2] ABRvS 19 oktober 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU4565.
[3] Rb. Den Haag 21 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12497.
[4] Zie bijvoorbeeld Rb. Midden-Nederland 2 juni 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2576.
[5] ABRvS 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:694.
[6] ABRvS 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3992.
[7] Rb. Midden-Nederland 2 oktober 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:5328; ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:1923.
[8] K.A.W.M. de Jong, ‘Precedentwerking. Terechte en onterechte angst van bestuursorganen voor gelijke gevallen in het ruimtelijk domein’, Gst. 2024/67.
[9] ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2697.
Hoe ver moet je gaan om een last onder dwangsom na te leven – en ervoor te zorgen dat anderen...
“Waarom mogen zij dat wel bouwen – maar ik niet?” Bij het voeren van...