Gepubliceerd op 6 maart 2017

Gepubliceerd op 6 maart 2017

Op grond van artikel 284 lid 1 Faillissementswet (hierna te noemen: Fw) kan een natuurlijk persoon de rechtbank verzoeken de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna te noemen: WSNP) uit te spreken indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

_x000D_ _x000D_

In artikel 285 Fw staan de vereisten genoemd die in het verzoekschrift ex artikel 284 Fw moeten worden opgenomen. Zo dient onder andere een gespecificeerde opgave van de vaste lasten van de schuldenaar opgenomen te worden (sub d) en een gespecificeerde opgave van de inkomsten van de schuldenaar (sub c). Daarnaast dient het verzoekschrift vergezeld te gaan van een met redenen omklede verklaring waarin is vermeld dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt (sub f). Dit laatste vereiste kan mede in het licht worden gezien van het feit dat de vereisten die gelden voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling, mede tot doel hebben de schuldenaar te dwingen tot het uiterste te gaan om een minnelijke regeling te bereiken en de schuldsaneringsregeling te laten functioneren als laatste redmiddel.

_x000D_ _x000D_

Voor wat betreft de toepasselijkheid van artikel 285 lid 1 sub f Fw in het kader van artikel 15b Fw ontstond langere tijd onduidelijkheid. Op grond van artikel 15b Fw kan een natuurlijk persoon die in staat van faillissement verkeert, de rechtbank verzoeken zijn faillissement op te heffen onder het gelijktijdig van toepassing verklaren van de WSNP. De onduidelijkheid bestond in de vraag of ook bij omzetting van een faillissement naar een schuldsaneringsregeling de eis geldt dat een minnelijk traject moet zijn gevolgd en dat stukken in dat kader bij het verzoek van omzetting naar de WSNP moeten worden bijgevoegd. Die onduidelijkheid vloeit vooral voort uit het feit dat een gefailleerde schuldenaar die een omzettingsverzoek wil doen, als gevolg van het faillissement niet meer in staat is een buitengerechtelijke schuldregeling tot stand te brengen.

_x000D_ _x000D_

Tot aan het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015 hanteerden de rechtbanken een soepele benadering, in die zin dat de omzettingsverzoeken die niet aan het vereiste van artikel 285 lid sub f Fw voldeden, toch inhoudelijk werden beoordeeld.

_x000D_ _x000D_

Naar aanleiding van de onduidelijkheid omtrent bovenstaande heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een procedure waarbij dit van belang was en waarbij geen verklaring was gevoegd op de voet van artikel 392 Rechtsvordering een aantal prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.

_x000D_ _x000D_

De Hoge Raad overweegt dat ook voor een omzettingsverzoek het vereiste geldt dat de schuldenaar met behulp van professionele schuldhulpverlening heeft geprobeerd een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen. De gefailleerde schuldenaar die een omzettingsverzoek wil doen, is echter zelf als het gevolg van het faillissement niet meer in staat een buitengerechtelijke schuldregeling te beproeven. Een redelijke wetstoepassing brengt dan ook mee dat wordt aanvaard dat bij een omzettingsverzoek een schriftelijke verklaring van de curator kan worden bijgevoegd, waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van art.138 Fw kan aanbieden en dat er geen reëele mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.

_x000D_ _x000D_

Daarnaast overweegt de Hoge Raad in zijn arrest dat indien de schuldenaar een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling indient zonder verklaring in de zin van artikel 285 lid 1 sub f Fw, de rechtbank de schuldenaar een termijn van ten hoogste een maand kan gunnen om die verklaring alsnog te verstrekken. Indien schuldenaar dit niet doet, of indien de rechtbank geen aanleiding ziet verzoeker daartoe in staat te stellen, wordt de schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 287 lid 2 Fw. Dit geldt ook in het geval van een omzettingsverzoek in de zin van artikel 15b Fw, zo overweegt de Hoge Raad.

_x000D_ _x000D_

Bij omzettingsverzoeken die ingediend worden na bovenstaand arrest dient derhalve een verklaring ex artikel 285 lid 1 sub f te worden bijgevoegd. Indien deze verklaring aan het verzoekschrift ex artikel 284 Fw ontbreekt, kan verzoeker, door de rechtbank in de gelegenheid gesteld worden de verklaring alsnog te overleggen. In de praktijk zal de curator van gefailleerde een dergelijke verklaring dienen te overleggen. Wordt deze mogelijkheid niet aan verzoeker aangeboden of dient verzoeker de verklaring daarna te laat in, zal de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek zijn faillissement op te heffen onder het gelijktijdig van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

_x000D_ _x000D_

De inhoud van dit blog is algemeen van aard. Er kunnen geen rechten aan worden ontleend.

_x000D_ _x000D_

Wilt u meer informatie over dit onderwerp, of heeft u andere vragen over ondernemingsrecht, insolventierecht, financieringen en zekerheden? Neem dan contact op met mr. N.R. Riedijk of één van haar collega’s van de sectie Ondernemingsrecht/Insolventierecht, Financieringen en Zekerheden.

Natasha Riedijk

riedijk@ebhlegal.nl

06 55 804 013

Gratis telefonisch intakegesprek

Wil je weten wat wij voor je kunnen betekenen? Neem vrijblijvend contact met ons op!

Actueel

ANDERE BERICHTEN
  • Blog

    31 oktober 2024

    De maatschap en VOF verdwijnen. Wat betekent dit voor u?

  • Blog

    30 juli 2024

    Conflict met een medeaandeelhouder: wat nu?

  • Blog

    5 juni 2024

    De rol van goodwill bij bedrijfsovernames en -fusies