Op grond van artikel 2:10 BW is het bestuur van een rechtspersoon verplicht de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te alle tijden de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon worden gekend.
_x000D_ _x000D_
De sancties die kunnen volgen op het niet voldoen aan bovengenoemde plicht volgen niet rechtstreek uit artikel 2:10 BW. In artikel 2:9 BW zijn de algemene regels te vinden met betrekking tot de behoorlijke vervulling van de bestuurstaak. Het belang van het voldoen aan de verplichting ex artikel 2:10 BW volgt onder andere uit het feit dat het gebruik maken van een onware balans of staat van baten en lasten strafbaar is op grond van artikel 336 Wetboek van Strafrecht, het niet naleven van de verplichtingen uit artikel 2:10 BW strafbaar is in faillissement ex artikel 342 Wetboek van Strafrecht en tevens strafbaar bij bedrieglijke bankbreuk ex artikel 343 Wetboek van Strafrecht. Tot slot kan het bestuur van een rechtspersoon aangesproken worden voor het tekort in geval van faillissement van de rechtspersoon, indien niet voldaan is aan de verplichtingen van artikel 2:10 BW. Het niet voldoen aan de verplichtingen op grond van dit artikel leidt namelijk tot het vermoeden dat de daarmee vaststaande onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:138 lid 2 BW voor de naamloze vennootschap en artikel 2:248 lid 2 BW voor de besloten vennootschap). Tegenbewijs door het bestuur is echter wel mogelijk, echter stellen deze artikelen de curator in het faillissement in een sterke bewijsrechtelijke positie.
_x000D_ _x000D_
Vanaf het arrest van de Hoge Raad van 11 juni 1993 (Brens q.q./Sarper) werd gedacht dat aan de administratieplicht ex artikel 2:10 BW was voldaan, indien men snel inzicht kon krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie en die posities tezamen met de liquiditeitspositie een redelijk beeld gaven van de vermogenspositie van de rechtspersoon. Deze door de Hoge Raad gegeven maatstaf lijkt echter beperkter dan de maatstaf die uit de wettekst van artikel 2:10 BW blijkt.
_x000D_ _x000D_
In oktober 2014 heeft de Hoge Raad echter opnieuw een arrest gewezen ter zake bovenstaande materie. Hierin heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat de beperkte toets uit het arrest Brens q.q./Sarper niet als algemene maatstaf mag worden opgevat.
_x000D_ _x000D_
In de onderliggende zaak vorderde de curator een verklaring voor recht dat verweerders hoofdelijk aansprakelijk zijn uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 2:248 BW. Daarnaast vorderde de curator verweerders hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het faillissementstekort. Aan deze vorderingen legde de curator ten grondslag dat bestuurders van de gefailleerde vennootschap niet voldaan hebben aan hun boekhoudverplichtingen ex artikel 2:10 BW.
_x000D_ _x000D_
De rechtbank wees de vordering van de curator af. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd door het hof.
_x000D_ _x000D_
In cassatie werd geklaagd over de maatstaf die het hof heeft gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of het bestuur van de gefailleerde vennootschap heeft voldaan aan de boekhoudplicht ex artikel 2:10 BW. Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte (onder verwijzing naar Brens q.q./ Sarper) heeft geoordeeld dat aan die plicht is voldaan ‘’indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en de omvang van de onderneming , een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.’’ Hiermee is volgens het onderdeel een te beperkte uitleg geven aan de wettelijke boekhoudplicht.
_x000D_ _x000D_
De Hoge Raad overweegt dat bij de beoordeling van de administratieplicht getoetst moet worden aan alle elementen van artikel 2:10 BW. De grenzen van en eisen aan de administratieplicht zullen mede moeten worden bepaald op basis van de specifieke omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de onderneming en de werkzaamheden daarvan. Hierdoor kan sneller aangenomen worden dat er sprake is van schending van de administratieplicht.
_x000D_ _x000D_
Het als bestuurder van een rechtspersoon voldoen aan de administratieplicht is op grond van bovenstaande niet alleen van groot belang in het kader van de strafrechtelijke verwijten die gemaakt kunnen worden, maar ook van groot belang in geval van faillissement van de rechtspersoon. Een niet deugdelijke gevoerde administratie kan namelijk – behoudens tegenbewijs – als een belangrijke oorzaak van het faillissement worden gezien, waardoor het bestuur van de rechtspersoon aansprakelijk gesteld kan worden voor het tekort in het faillissement. Bovengenoemde jurisprudentie laat zien dat een niet al te beperkte uitleg van de administratieplicht aangehouden moet worden, maar dat de werkelijke grenzen van de administratieplicht afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval, zoals de aard en de omvang van de onderneming en de werkzaamheden daarvan.
_x000D_ _x000D_
De inhoud van dit blog is algemeen van aard. Er kunnen geen rechten aan worden ontleend.
_x000D_ _x000D_
Wilt u meer informatie over dit onderwerp, of heeft u andere vragen of ondernemingsrecht, insolventierecht, financieringen en zekerheden? Neem dan contact op met mr. N.R. Riedijk of één van haar collega’s van de sectie Ondernemingsrecht/Insolventierecht, Financieringen en zekerheden.