
Gepubliceerd op 25 augustus 2026

Gepubliceerd op 25 augustus 2026
Een beroep op het vertrouwensbeginsel wordt in het bestuursrecht niet snel gehonoreerd. Om een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel te kunnen doen, moeten op grond van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State drie stappen worden doorlopen. Deze stappen bespreekt de Afdeling in de Amsterdamse dakopbouw-uitspraak.[1]
Stap 1: heeft het bestuursorgaan een toezegging gedaan?
Eerst moet worden vastgesteld of vanuit de overheid een toezegging is gedaan. Die toezegging kan zowel schriftelijk als mondeling zijn. Van een toezegging is sprake als ambtenaren uitlatingen hebben gedaan of gedragingen hebben verricht, die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk mochten wekken dat het bestuursorgaan een specifieke bevoegdheid in een concrete situatie op een bepaalde manier zou uitoefenen.
Belangrijk: een algemene voorlichting of uitlating over een (al dan niet vergelijkbaar) ander geval kan niet als toezegging worden aangemerkt.
Stap 2: kan de toezegging aan het bestuursorgaan worden toegerekend?
Vervolgens moet worden beoordeeld of deze toezegging ook echt aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dit is op grond van de hiervoor genoemde uitspraak het geval als de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat degene die de toezegging heeft gedaan ook echt de opvatting van het bevoegde bestuursorgaan vertolkte. Denk bijvoorbeeld aan een wethouder die namens het College van Burgemeester en Wethouders toezegt dat een bepaalde vergunning zal worden verleend.
Stap 3, deel 1: staan zwaarwegende belangen in de weg aan het honoreren van het gewekte vertrouwen?
Wanneer vaststaat dat er een toezegging is gedaan die aan het bevoegde orgaan moet worden toegerekend, is er gerechtvaardigd vertrouwen gewekt. Dit betekent echter niet automatisch dat deze toezegging ook echt kan en moet worden nagekomen. De vraag of de toezegging moet worden nagekomen, kan alleen worden beantwoord nadat er een belangenafweging van alle betrokken belangen is gemaakt. Hierbij geldt dat er geen zwaarder wegende belangen in de weg mogen staan aan het honoreren van de verwachtingen van degene waarbij het vertrouwen is gewekt.
Stap 3, deel 2: moet er dispositieschade worden vergoed?
Zijn er wel zwaarder wegende belangen, dan kan het zijn dat de schade van diegene waarbij het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt moet worden vergoed. Hierbij geldt dat alleen de zogenaamde ‘dispositieschade’ wordt vergoed. Dit is het nadeel dat iemand lijdt doordat hij heeft vertrouwd op uitlatingen of gedragingen van het bestuursorgaan. Dit heeft staatsraad advocaat-generaal Snijders in zijn conclusie van 21 augustus 2024 overwogen.[2]
Nieuwe conclusie over het vertrouwensbeginsel verwacht
Recentelijk heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan staatsraad advocaat-generaal Snijders gevraagd een aanvullende conclusie te nemen over dit onderwerp.[3] Hij zal zijn vorige conclusie over het vertrouwensbeginsel daarom binnenkort toepassen op een nieuwe zaak, waarin de betrokkene (een vastgoedbedrijf) al een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan. In die zaak gaat het om de vraag in hoeverre de dispositieschade aan dit bedrijf moet worden vergoed.
Deze zaak bespreken we in de volgende blog van deze serie.
Deze blog is algemeen van aard en er kunnen geen rechten aan worden ontleend.
[1] ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 11 e.v.
[2] Conclusie staatsraad advocaat-generaal Snijders van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3420.
[3] www.raadvanstate.nl ‘Afdeling bestuursrechtspraak vraagt aanvullende conclusie over gevolg van geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel’.

Rachel-Roxelane Speelman
speelman@ebhlegal.nl
06 86 88 84 67
Gratis telefonisch intakegesprek
Wil je weten wat wij voor je kunnen betekenen? Neem vrijblijvend contact met ons op!

